19-10-2017 Tim Janssens

Wat moet de overheid veranderen aan de manier van aanbesteden? (2)

BBM legt elk nummer een prangende vraag voor aan een aantal autoriteiten uit de sector. Deze keer: wat moet de overheid veranderen aan de manier van aanbesteden?

Carl Vermeer

Commercieel directeur Vlaanderen

STRABAG Belgium

Bij STRABAG Belgium stellen we regelmatig vast dat er dossiers aanbesteed worden waarvoor de initiatiefnemers niet of nauwelijks een grondige haalbaarheidsstudie hebben opgesteld. De opgave voor de aanbieders beperkt zich niet alleen tot het prijstechnisch bestuderen van het dossier, maar vergt het opstellen van een volledige projectaanpak in al zijn facetten, met uiteraard een groot kostenplaatje tot gevolg .De overheid is gespecialiseerd in het afschuiven van al de risico’s die verbonden zijn aan complexe dossiers, evenwel zonder bereid te zijn om de aannemerij hiervoor een correcte vergoeding te betalen. Er wordt meestal een vergoeding voorzien voor de niet-winnende partijen, maar dit bedrag dekt nauwelijks een fractie van de gemaakte kosten. Bovendien stellen we regelmatig vast dat men opdrachten zelfs niet kan gunnen vanwege juridische problematieken. Dit heeft tot gevolg dat steeds meer partijen twijfelen om nog deel te nemen aan dit soort aanbestedingen. PPP-projecten in België worden dan ook weleens smalend ‘Peux Pas Payer’-projecten genoemd…

 

Dirk Driesmans

Zaakvoerder-architect

Q-BUS Architectenbureau

We moeten af van de dure, tijdrovende wedstrijdaanbestedingen, waarbij “mooie beelden” en “lage ereloontarieven” niet zelden doorwegen in de beslissing tot toewijzing, zonder dat er enige vorm van dialoog tussen architect en opdrachtgever geweest is. Kleine projecten hebben baat bij eenvoudigere procedures, waarbij de gezamenlijke inspanning van alle deelnemende architecten binnen de perken blijft. Een wedstrijdaanbesteding is daarvoor niet de gepaste methode, laat staan een Design & Build-formule. Voor grotere projecten met een bepaalde maatschappelijke relevantie kan een wedstrijd een meerwaarde zijn. Maar de focus moet liggen op het idee, het concept en bijvoorbeeld een visienota, zodat de deelnemingskost voor de architect haalbaar is. Waarom niet drie kandidaten selecteren op basis van het voorgelegde concept, waarmee men op weg gaat om na een korte voorontwerpfase de definitieve beslissing te nemen? Dan is er tenminste dialoog mogelijk tussen architect en opdrachtgever en kan deze laatste beter inschatten of de verdere samenwerking goed zal verlopen. Een kostendekkende vergoeding voor de twee architecten(bureaus) die de opdracht niet toegewezen krijgen, is eveneens aangewezen. Stof tot verder nadenken…

 

Marc Dillen

Directeur-generaal

Vlaamse Confederatie Bouw

De Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) onderschrijft de ambities van de Vlaamse overheid om tegen 2020 100% duurzaam aan te besteden. De nieuwe reglementering inzake overheidsopdrachten bevat al een aantal mogelijkheden om milieu-en duurzaamheidscriteria te hanteren bij de selectie van de inschrijvers en de gunning van de opdracht. Ook prestatie-eisen en functionele eisen kunnen aan bod komen, inclusief milieukenmerken. Nu is het tijd om de omslag naar de praktijk te maken. De VCB heeft de Vlaamse overheid en een aantal andere publieke opdrachtgevers gevraagd hoe zij hiertegenover staan, bijvoorbeeld met het oog op het voorschrijven van duurzame bouwmaterialen en -processen en vereisten op het vlak van milieu en duurzaamheid van het gebouw of de infrastructuur. Een voorafgaande marktconsultatie, waarbij nagegaan wordt of er duurzame of milieuvriendelijke oplossingen beschikbaar zijn op de markt, kan een nuttig instrument blijken.

 

Dirk D’herde

Gedelegeerd bestuurder

archipelago l ar-te

Wat de overheidsreglementering voor architectuuropdrachten betreft, zou ik willen oproepen tot meer gezond verstand. In een recent advies van een jurist werd ons (nogmaals) duidelijk gemaakt dat de principes van mededinging en transparantie de rode draden (zouden moeten) zijn bij het toekennen van overheidsopdrachten. In de praktijk botsen we echter nog al te vaak op een aantal knelpunten – overigens niet alleen bij overheidsopdrachten. Allereerst ligt de nadruk (te?) sterk op het prijsaspect. Verstandige opdrachtgevers beseffen dat er een zeker prestatieniveau nodig is om behoorlijk ontwerpwerk te kunnen afleveren (cfr. studie KU Leuven) en voorzien zelf een redelijk ereloon (of een vork), dat overeenstemt met het kwaliteitsniveau dat ze zelf ambiëren en van hun ontwerppartners verwachten. Op die manier worden ontwerpers niet in een ‘ratrace’ gedwongen.

Verstandige opdrachtgevers beseffen ook dat de draagkracht van bureaus bij procedures beperkt is. Een voorafgaandelijke selectie moet de initiële inspanning van de kandidaten beperken, waarna ze voor een welomschreven output (visie, concept, uitgewerkt ontwerp …) een correcte vergoeding krijgen die minstens de directe kost van de deelname aan de procedure zou moeten dekken. De opdrachtgever krijgt immers de luxe om te kunnen kiezen uit hoogwaardige voorstellen van kandidaten die hij zelf geselecteerd heeft, en voor wat hoort wat.

Tot slot doen verstandige opdrachtgevers grondig hun huiswerk. We krijgen nog steeds regelmatig te maken met onduidelijke of inconsistente programma’s en projecten waarvan de haalbaarheid onvoldoende gegarandeerd is. Het resultaat daarvan is dat van het ontwerp in de praktijk niet veel overblijft, als het al niet volledig in de prullenmand verdwijnt omdat het project uiteindelijk niet doorgaat. De gelukkige (?) ontwerpers zijn in dat geval tweemaal de pineut.

 


  Meer artikels: De hamvraag
NIEUWSBRIEF

Wil je op de hoogte blijven van het reilen en zeilen in de bouwsector?

  INSCHRIJVEN